Het jasje
Geloof zit van binnen. Maar ook van buiten. Er is een binnenkant. Maar geloof heeft ook altijd een buitenkant. Het heeft een jasje aan. Het doet zich voor in een bepaalde gestalte.
Het geloof van de één ziet er anders uit dan dat van de ander. Het jasje is gemaakt van verschillende soorten stof. Het is zeg maar een lapjesjasje.
Het jasje bestaat uit geloofsvoorstellingen, godsbeelden, dingen die je moet geloven en richtlijnen hoe je moet leven.
Nu kan als je groeit het jasje te krap worden, dan heb je een nieuw jasje nodig. Gelovig gesproken hebben veel mensen nog steeds het jasje van de kleuterschool aan. Het ziet er nog best leuk uit, maar ze zijn het ontgroeid. Ze kunnen zich er niet soepel meer in bewegen, daar zijn ze te groot voor geworden. De godsvoorstellingen, dingen die je moet geloven en aanwijzingen hoe je moet leven zitten meer in de weg dan dat ze helpen. Het is tijd voor een nieuw jasje.
Zo is het ook met geloof. Je groeit er in en dat is gezond. Een volwassene kijkt anders naar een vader dan een kleuter. Dat is maar goed ook. Waarom zou dat niet zo zijn als het over God gaat?
Je gaat anders geloven, anders kijken, andere dingen doen, sommige dingen niet meer doen. De manier waarop je bidt verandert bijvoorbeeld of de wijze waarop je naar jezelf of naar God kijkt.
Soms bekruipt je het gevoel: ‘help, ik ben mijn geloof kwijt’. Maar je kunt er ook anders naar kijken. Wat je kwijt raakt is niet je geloof maar een voorstelling van zaken die je dierbaar was en die je ‘geloof’ noemde. De binnenkant blijft, maar je bent aan een nieuw jasje toe.
Geloof is iets anders dan vasthouden aan allerlei zelfgemaakte geloofsconstructies. Die zijn maar buitenkant. Geloof is met lege handen durven staan en vertrouwend leven. Dat zit van binnen.
Anders gaan geloven is niet minder gaan geloven. Groeien is ook altijd iets anders ontgroeien.